Achtergrond
De theorie van de Chinese kruidengeneeskunde
Qi, meridianen, de vier naturen en vijf smaken, verwerking en de opbouw van een formule: de begrippen achter de kruidenkaarten en formules.
Een andere manier van kijken
De Chinese kruidengeneeskunde ziet ziekte niet in de eerste plaats als een benoemde aandoening, maar als een verstoord evenwicht. Leefstijl, emoties, voeding, erfelijke aanleg en omgeving horen daar allemaal bij. De diagnose stelt vast welk patroon er speelt (bijvoorbeeld hitte, kou, vocht, wind, slijm, tekort of overmaat) en bij elk patroon horen kruiden en formules met een tegengestelde werking.
Daarom zegt men: één ziekte, verschillende behandelingen; verschillende ziekten, dezelfde behandeling. Twee mensen met dezelfde westerse diagnose kunnen een heel ander patroon hebben en dus een andere formule krijgen, terwijl één formule bij uiteenlopende ziekten past als het onderliggende patroon hetzelfde is. In de praktijk combineren veel therapeuten beide: ze benoemen de ziekte op westerse wijze en onderscheiden daarbinnen de Chinese patronen.
De traditionele diagnose rust op vier pijlers: vragen, kijken (onder meer naar de tong), voelen (onder meer de pols) en luisteren of ruiken. Een tong kan rood, bleek, gezwollen of beslagen zijn; een pols snel, traag, oppervlakkig, diep, glibberig of gespannen als een snaar. Daarom staan bij elke formule de tong en de pols waaraan het patroon te herkennen is.
Qi, de levensenergie
Qi heeft geen westerse tegenhanger. Het wordt meestal vertaald als energie of levenskracht, maar het is tegelijk de stoffelijke basis van alles en de kracht die alles in beweging zet. Het Chinese teken toont een kom rijst waaruit stoom opstijgt: de rijst staat voor het voedende, stoffelijke deel, de stoom voor het warme, bewegende deel dat werk kan verrichten.
Qi verwarmt en bezielt het lichaam, beschermt tegen ziekte, laat organen en systemen werken en maakt bewustzijn mogelijk. Een klassiek gezegde luidt: 'geen vrije doorstroming, dan pijn; vrije doorstroming, dan geen pijn'. Waar qi blokkeert, ontstaat pijn en ontstaat elders een tekort, zoals een dam achter zich water ophoopt en ervoor het droog laat vallen. Met het ouder worden neemt de qi af.
Er zijn veel soorten qi beschreven, zoals de verdedigende qi (wei qi) aan de oppervlakte, de voedende qi (ying qi) en de qi die uit voeding wordt gewonnen in milt en maag, maar volgens de traditie zijn het allemaal vormen van één qi.
Meridianen en organen
Qi stroomt door meridianen: niet-stoffelijke banen die het lichaam verbinden met de inwendige organen. Er zijn twaalf vaste meridianen, zes voor de hand en zes voor de voet, elk met een eigen reeks acupunctuurpunten. Ze lopen min of meer verticaal; de handmeridianen beginnen of eindigen bij de vingertoppen, de voetmeridianen bij de tenen.
De Chinese organen zijn functiesystemen, geen anatomische organen. De 'nier' slaat de essentie op, regeert de botten en het merg, uit zich in het haar en het gehoor en omvat ook de voortplanting en hormonen. Een tekort aan nier-qi lijkt sterk op ouder worden: lage-rugpijn, broze botten, zwakte, vermoeidheid, duizeligheid en vergeetachtigheid, met dunner wordend haar en slechter horen. De 'milt' zet voedsel en vocht om en is de bron van de verworven qi; de 'lever' zorgt voor een vrije doorstroming van qi en bloed en is gevoelig voor stress.
Elk kruid heeft een voorkeur voor bepaalde meridianen; dat heet de kanaalingang. Bij hoest door longhitte kies je kruiden die naar de longmeridiaan gaan en longhitte koelen, zoals huang qin en moerbeiwortelschors; bij levervuur kruiden die naar de lever gaan, zoals long dan cao en brunel. Als levervuur de long aantast, combineer je beide.
De vier naturen
Elk kruid heeft een natuur: koud, koel, warm of heet. Kruiden zonder duidelijke neiging heten neutraal, al neigen ook zij vaak licht naar warm of koel. De natuur wordt afgeleid uit hoe het lichaam op het kruid reageert. Wat hitte verlicht, zoals gips en shan dou gen bij koorts, dorst en een rode, pijnlijke keel, is koud of koel. Wat kou verlicht, zoals gedroogde gember, kaneelschors en monnikskap bij koude buikpijn en ijskoude ledematen, is warm of heet.
- Tegengesteld behandelen
- Hitte behandel je met koude kruiden, kou met warme. Hoge koorts met grote dorst krijgt bijvoorbeeld gips, zhi mu en gardenia; ineenstorting van yang krijgt monnikskap en gedroogde gember.
- Naar de mate
- Hoe sterker de hitte of kou, hoe sterker het middel. Ineenstorting van yang vraagt een heet middel zoals monnikskap; gewone buikpijn door kou in het midden een mild warm middel zoals geroosterde verse gember.
- Gemengde beelden
- Is er tegelijk kou en hitte, dan combineer je koude en warme kruiden, in verhouding tot hoeveel van elk er is.
- Schijnbeelden
- Bij echte kou met schijnbare hitte (of andersom) behandel je de echte kou of hitte; soms wordt een klein beetje van een kruid met de tegengestelde natuur toegevoegd als 'helper'.
De vijf smaken
Kruiden worden ingedeeld naar vijf smaken: scherp, zoet, zuur, bitter en zout, met daarnaast samentrekkend en flauw. Die smaak is deels echt te proeven, maar wordt vooral afgeleid uit de werking. Kudzuwortel smaakt zoet, wat past bij het opwekken van lichaamsvocht; omdat hij ook naar buiten werkt en uitslag laat doorkomen, krijgt hij er de smaak scherp bij.
- Scherp
- Verspreidt en beweegt: opent het oppervlak, laat qi en bloed stromen. Jing jie en munt bij verkoudheid, knolcyperus bij qi-stagnatie, chuanxiong bij bloedstagnatie. Te veel scherp verbruikt qi en vocht.
- Zoet
- Versterkt, matigt en harmoniseert: vult tekort aan, ontspant kramp en brengt kruiden in balans. Ginseng, bereide rehmannia, dadels, goji, moutstroop en zoethout. Zoet is vaak zwaar en kan bij vocht, voedselstagnatie en een opgeblazen buik juist belasten.
- Zuur
- Trekt samen en houdt vast: bij aanhoudende diarree, hoest, zweten en zaadverlies. Japanse abrikoos, schisandra en shan zhu yu. Niet zolang een ziekte nog niet is verdreven.
- Bitter
- Laat afvoeren, droogt en beschermt yin: koelt vuur, laat opstandige qi dalen, werkt laxerend en droogt vocht. Huang qin, gardenia, abrikozenpit, rabarber, long dan cao, cang zhu en huang bai. Te veel bitter beschadigt vocht en maag.
- Zout
- Verzacht en voert af: maakt verhardingen zacht en lost knobbels op, en werkt laxerend. Glauberzout, sargassum, kombu en oesterschelp.
- Samentrekkend
- Werkt als zuur: bij bloedingen, afscheiding en diarree, zoals lotuszaad en granaatappelschil.
- Flauw
- Laat vocht wegsijpelen en bevordert het plassen, zoals fu ling, zhu ling, waterweegbree en pitrus.
Stijgen, dalen, drijven en zinken
Kruiden hebben een richting. Lichte delen zoals bloemen, bladeren, schors en takjes stijgen en drijven meestal; zware delen zoals zaden, vruchten, mineralen en schelpen dalen en zinken. Perillablad, chrysant en moerbeiblad gaan omhoog en naar buiten; perillazaad, onrijpe bittere sinaasappel, magnetiet en hematiet gaan omlaag en naar binnen. Toch beslist uiteindelijk de werking: ballonbloem tilt de longqi op en werkt op de keel, terwijl bai qian de qi laat dalen bij hoest met veel slijm.
Stijgende en drijvende kruiden passen bij klachten in het bovenlichaam en aan de oppervlakte, zoals verkoudheid, of bij zakkende klachten zoals verzakkingen. Dalende en zinkende kruiden passen bij klachten in het onderlichaam en vanbinnen, en bij klachten die omhoog willen, zoals braken, hik, hoest, onrust en opstijgende lever-yang.
Verwerking (pao zhi)
Veel Chinese kruiden worden voor gebruik bewerkt. Dat heet pao zhi. Het omvat wassen en snijden, maar vooral roosteren met honing, wijn of azijn, stomen en het verwerken met gembersap. De bewerking verandert de werking.
- Werking versterken
- Met honing geroosterd bevochtigen bai bu, klein hoefbladbloem, ma huang en zi wan de longen beter. Met azijn werken yan hu suo en knolcyperus sterker pijnstillend. Met gembersap remmen ban xia en bamboeschaafsel braken beter. Met wijn laten chuanxiong, dang gui en saffloer het bloed sterker stromen.
- Giftigheid verminderen
- Monnikskap, ban xia, tian nan xing en braaknoot zijn rauw sterk giftig; bewerkt veel minder. Crotonzaad wordt ontvet om de giftigheid en de purgerende kracht te verminderen.
- Werking veranderen
- Rauwe rehmannia is koel en koelt het bloed; met wijn gestoomd wordt ze warm en voedt ze het bloed. Rauwe he shou wu werkt laxerend; bereid versterkt hij lever en nieren.
- Bewaren en reinigen
- Drogen voorkomt schimmel en bederf. Aarde en zand worden van fu ling gehaald, de stengelbasis van fang feng verwijderd. Mineralen en schelpen worden gegloeid of verbrokkeld zodat ze in een afkooksel beter oplossen. Zaden zoals perilla- en radijszaad worden gestoomd of droog geroosterd zodat ze niet kiemen.
- Roosteren met honing
- Verhit 25–40 delen honing per 100 delen kruid in een wok tot de honing borrelt, roer het kruid erdoor tot alles goudbruin is en niet meer plakt, en laat het afkoelen tot het knapperig is. Laat de honing niet verbranden; dan wordt het kruid zwart en minder goed.
- Roosteren met wijn of azijn
- Laat het kruid de vloeistof opnemen (ongeveer 15 delen azijn of 40–50 delen wijn per 100 delen kruid) en rooster het daarna droog in een wok, zonder te laten verbranden. Bewaar het pas als alles helemaal droog is.
Herkomst en kwaliteit
Chinese artsen gaven de voorkeur aan 'echte streekkruiden' (dao di yao cai): kruiden uit de streek waar ze van oudsher het best groeien. Voorbeelden zijn dang gui uit Gansu, goji uit Ningxia, rabarber uit Qinghai, huang qi uit Binnen-Mongolië, ginseng, xi xin en schisandra uit het noordoosten, huang lian, chuanxiong en bei mu uit Sichuan, rehmannia, niu xi en Chinese yam uit Henan, mandarijnschil en sha ren uit Guangdong, en notoginseng en fu ling uit Yunnan.
Goede kwaliteit herken je aan grote, hele stukken in plaats van fijngesneden of gemalen kruid (gemalen kruid oxideert snel en is gemakkelijk te vervalsen, bijvoorbeeld Canadese geelwortel met kurkuma), een heldere kleur, de juiste vochtigheid (niet broos, niet klam), een karakteristieke geur en vooral de smaak. Oud kruid smaakt anders.
Gekweekte kruiden kunnen op het juiste moment worden geoogst; bij wild geplukte kruiden is dat niet altijd zo. Veel wilde planten, zoals Canadese geelwortel en Amerikaanse ginseng, staan onder druk door overoogst. Kies waar mogelijk biologisch gekweekte of in het bos geteelde kruiden.
De zeven combinaties
De klassieke materia medica van Shen Nong beschrijft zeven manieren waarop kruiden zich tot elkaar verhouden. Ze vormen de basis voor het samenstellen van een formule.
- Alleen
- Eén kruid voor één eenvoudig beeld, zoals alleen ginseng (du shen tang) bij ineenstorting van qi na groot bloedverlies, of alleen huang qin bij longhitte.
- Wederzijdse versterking
- Twee kruiden met dezelfde werking versterken elkaar, zoals mandarijnschil en ban xia bij vocht en slijm.
- Wederzijdse hulp
- Een hoofdkruid wordt geholpen door een bijkruid, zoals huang qi door fu ling bij het versterken van qi en het afvoeren van vocht.
- Wederzijds beteugelen
- Het ene kruid tempert de giftigheid of bijwerkingen van het andere; verse gember tempert rauwe ban xia.
- Wederzijds onderdrukken
- Het ene kruid onderdrukt de giftigheid van het andere; volgens Jackson vermindert jin qian cao de giftigheid van lei gong teng.
- Wederzijds tegenwerken
- Het ene kruid verzwakt de werking van het andere; verse gember kan de werking van huang qin verminderen. Hier moet je op letten.
- Onverenigbaar
- Samen worden ze giftig, zoals monnikskap met ban xia. Zulke combinaties worden vermeden. Klassiek zijn ook zoethout met gan sui, yuan hua, euphorbia of sargassum, en Veratrum met onder meer ginseng, dan shen, xuan shen, ku shen en pioen.
De opbouw van een formule
Chinese kruidengeneeskunde werkt vooral met formules: vaste combinaties van drie tot meer dan twintig kruiden die eeuwenlang zijn verfijnd. Ze behandelen een complex patroon in plaats van één klacht, en de kruiden werken samen sterker dan los. Een therapeut begint met een klassieke basisformule en past die aan aan de persoon.
De rollen in een formule zijn ontleend aan het Confuciaanse hof. De keizer draagt de hoofdwerking, de minister versterkt die, de assistent vermindert ongewenste effecten en de dienaar harmoniseert het geheel. In ma huang tang laat ma huang zweten (keizer), versterkt kaneeltakje dat (minister), verzacht abrikozenpit de drogende werking (assistent) en brengt zoethout alles in balans (dienaar).
Het boek van Tierra noemt als basisformules onder meer: gui zhi tang en ma huang tang (oppervlak), bai hu tang (hitte), xiao chai hu tang (harmoniseren), si jun zi tang (qi), si wu tang (bloed), liu wei di huang wan (yin), ba wei di huang wan (yang), da cheng qi tang (laxeren), wu ling san (vocht), bao he wan (spijsvertering), xiao yao san (qi regelen), suan zao ren tang (kalmeren), er chen tang (slijm) en du huo ji sheng tang (reuma).
Veel klassieke formules komen uit de Shang Han Lun ('Verhandeling over koude-aandoeningen') van Zhang Zhongjing uit de tweede eeuw. Via Japan ontstond daaruit de kampo. Kampo-artsen werken meer met buikdiagnose en gebruiken ongeveer de helft tot een derde van de Chinese dosering.
Westerse kruiden met een Chinese blik
De Chinese materia medica is het resultaat van duizenden jaren ononderbroken klinische ervaring en onderscheidt veel fijner dan de meeste westerse kruidenboeken. Waar een westers boek tien kruiden 'bij hoest' noemt, deelt een Chinees boek ze in naar de soort hoest. Toch zijn veel westerse kruiden met dezelfde begrippen te beschrijven, en veel 'Chinese' kruiden komen van elders: wierook, mirre en drakenbloed uit het Midden-Oosten, kruidnagel, peper en kaneel uit Zuidoost-Azië, en Amerikaanse ginseng, maïszijde en echinacea uit Amerika.
In de Chinese praktijk worden kruiden vooral als afkooksel gebruikt; aromatische kruiden zoals munt, huo xiang en gou teng gaan pas de laatste minuten mee. Westerse kruidkundigen gebruiken veel tincturen. Alcohol verwarmt volgens de Chinese geneeskunde, verspreidt en laat bloed stromen; dat past bij kou, vocht en wind, maar minder bij yin-tekort.
- Tinctuur
- Gangbaar is 1 deel gedroogd kruid op 5 delen vloeistof (1:5), of 1 deel vers kruid op 2 delen. Laat ongeveer twee weken trekken, schud dagelijks (bij gedroogd kruid), pers uit, zeef en bewaar in donker glas met een etiket.
- Vloeibaar extract
- 1 ml staat voor 1 g kruid (1:1). Sterker en daardoor met een kleinere marge tussen werkzame en schadelijke dosis; bedoeld voor professioneel gebruik.
- Extractpoeder
- Een ingedampt afkooksel met wat zetmeel, meestal 5:1. In warm water opgelost benadert het een afkooksel. Geperste pillen van gewoon gemalen kruid zijn minder werkzaam en verliezen snel kracht.
- Pap en kompres
- Vers gekneusd of gemalen kruid met water of tinctuur, op de huid. Een snelle pap: 5 g gemalen smeerwortel met duizendbladtinctuur tot een dikke pasta, minstens twee keer per dag verversen.
- Zetpil
- Fijngemalen kruid of extractpoeder door gesmolten cacaoboter (20–25%), in een vormpje laten stollen; koel bewaren en 's avonds gebruiken.
- Kruidenolie en zalf
- Kruid onder olie twee weken in de zon, of 24–48 uur op 37–41 °C. Voor een zalf ongeveer 40 g bijenwas per 200 ml olie.
Namen van plantdelen
In de Chinese materia medica geeft de farmaceutische naam eerst in het Latijn het gebruikte deel aan en dan de plant. Zo herken je wat er wordt gebruikt.
- Herba
- het hele kruid of de bovengrondse delen
- Folium
- het blad
- Flos
- de bloem
- Fructus
- de vrucht
- Semen
- het zaad
- Pericarpium
- de schil of het vruchtvlies
- Cortex
- de schors van stam of wortel
- Ramulus
- de takjes
- Radix
- de wortel
- Rhizoma
- de wortelstok
Bronnen
In eigen woorden, op basis van: