Een belangrijke vroege bron is het Libellus de medicinalibus Indorum herbis uit 1552. Martín de la Cruz, een Azteekse arts, schreef het aan het college van Santa Cruz in Tlatelolco, en Juan Badiano vertaalde het in het Latijn. Het boek bevat 185 afbeeldingen van planten. Het belandde in de Vaticaanse Bibliotheek, en paus Johannes Paulus II gaf het in 1990 terug aan Mexico.
Ook de Florentijnse Codex van Bernardino de Sahagún, uit de zestiende eeuw, beschrijft Azteekse planten en geneeskunde.
Een bijzondere bron is van steen. Halverwege de negentiende eeuw werd op de helling van de vulkaan Popocatépetl, bij Tlalmanalco, een zestiende-eeuws Azteeks beeld gevonden van Xochipilli, 'bloemenprins', de god van bloemen, zang, dans en kunst. Het staat nu in het Nationaal Museum voor Antropologie in Mexico-Stad. Op het beeld en de sokkel zijn bloemen en paddenstoelen uitgehouwen. Wasson, Schultes en Hofmann herkenden er heilige paddenstoelen, tabak, ololiuqui en sinicuichi in, en zagen in de opgeheven houding iemand in extase; niet alle onderzoekers zijn het daarover eens.
Tegenwoordig doceert de Universiteit van New Mexico over curanderismo, onder leiding van Eliseo Torres.