Volgens de klassieke leer is alles opgebouwd uit vijf grote elementen (pañcamahābhūta): ruimte, lucht, vuur, water en aarde. In het lichaam werken ze als drie doshas. Vata staat voor beweging en komt voort uit lucht en ruimte. Pitta staat voor omzetting en warmte, uit vuur en water. Kapha geeft structuur en samenhang, uit water en aarde.
Ieder mens krijgt bij de geboorte een eigen verhouding tussen de doshas mee, de prakriti. Gezondheid betekent dat de doshas in evenwicht zijn, dat het spijsverteringsvuur (agni) goed werkt, dat de lichaamsweefsels (dhātu) gezond zijn en de afvalstoffen (mala) goed worden afgevoerd, en dat het gemoed helder is. Ziekte begint volgens deze leer vaak bij een verstoorde agni en de ophoping van onverteerde resten (āma).
Behandelen volgt dezelfde logica. Voeding en kruiden worden gekozen op hun smaak (rasa, er zijn er zes), hun werking, verwarmend of verkoelend (vīrya), en hun nawerking na de vertering (vipāka). Een goed dagritme (dinacharya) en het meebewegen met de seizoenen (ritucharya) wegen even zwaar als de middelen zelf. De klassieke Ayurveda kent acht takken, van inwendige geneeskunde en chirurgie tot kindergeneeskunde, giftenleer en verjonging (rasāyana).