Densmore onderscheidde twee soorten genezing. De leden van de Midewiwin genezen met kruiden en liederen. Daarnaast zijn er de jaasakiid, zieners die in een schuddende tent met de geesten spreken. Iemand kan beide zijn, maar het zijn verschillende vakken.
De Midewiwin kent graden: vier, en in sommige streken meer. Bij de eerste graad leert een nieuw lid in het bos de namen en het gebruik van een paar eenvoudige kruiden, die het in zijn medicijnzak meedraagt. In de hogere graden leert het de eigenschappen van zeldzame kruiden. Een zieke kan in de Midewiwin worden opgenomen om te genezen. De oude Mi'jakiya'cig ('heldere hemel') vertelde Densmore dat ze als jonge vrouw zwaar ziek was. Haar ouders gaven een feest, een Mide-man rookte de tabak die haar vader had gebracht en vroeg de geesten om haar leven te verlengen. Er werd gezongen en gedanst, en ze werd beter.
Main'gans liet Densmore zien hoe hij bi'jikiwuk maakte. Het hoofdbestanddeel was de wortel van de senegawortel. Daarbij kwamen in gelijke delen de wortels van de prairie-alsem, de grondpruim en de prairieroos. In een emmer met ongeveer een liter heet water legde hij een lepeltje van het mengsel aan de oost-, zuid-, west- en noordkant, en verdeelde daarop een karig lepeltje van de senegawortel. Het middel werd vier keer per dag ingenomen, eerst weinig en daarna meer, tot een maatje van berkenbast van ongeveer een eetlepel. Hij nam ook een lepeltje van het droge poeder, zonder water. Bi'jikiwuk werd ingenomen als opwekkend middel en tegen stuipen, en uitwendig gebruikt om bloedingen van wonden te stelpen. Krijgers namen het mee op oorlogspad.
Mi'nisino'wuck, het 'eilandkruid', kwam oorspronkelijk van een eiland in het Bovenmeer en stelpt ook bloedingen. Volgens Na'waji'bigo'kwe ontstond het in de droom van een man die een dondervogel zag.