Naar de inhoud
Herbs & Cultures

Traditie in Zuid-Amerika

Kallawaya-geneeskunst

Andes; kennis doorgegeven over generaties

Feest in Collasuyu, het zuidelijke deel van het Inkarijk waar ook de Kallawaya woonden; Guamán Poma de Ayala, ca. 1615.
Feest in Collasuyu, het zuidelijke deel van het Inkarijk waar ook de Kallawaya woonden; Guamán Poma de Ayala, ca. 1615. Felipe Guamán Poma de Ayala · publiek domein

Geschiedenis

De Kallawaya wonen in de provincie Bautista Saavedra, ten noorden van La Paz in Bolivia, in de dalen van het Apolobamba-gebergte rond het stadje Charazani, op ongeveer 2700 tot 5000 meter. Ze staan in de hele Andes bekend als rondtrekkende genezers. Volgens UNESCO gaan hun wortels terug tot vóór de Inca's, tot de culturen van Tiwanaku en Mollo.

Het oudste spoor is een graf bij Niño Korin, vlak bij Charazani, uit de tijd van Tiwanaku, ruwweg 600 tot 1000 na Christus. Er lagen snuifplankjes, buisjes die als klisteerspuiten worden uitgelegd, een vijzel en bundels guayusablad dat na al die eeuwen nog cafeïne bevatte. Dat blad groeit niet in de Andes, maar in het Amazonelaagland. Volgens de antropoloog Joseph Bastien lag er ook een schedel met drie geboorde gaten waarvan het bot weer was aangegroeid: de patiënt had de operatie overleefd.

Onder de Inca's hadden de Kallawaya een bijzondere plaats. Volgens de kronieken droegen zij de draagstoel van de Inca, en de kroniekschrijver Guaman Poma tekende hen zo aan het begin van de zeventiende eeuw.

De historicus Thierry Saignes zocht in de archieven van La Paz, Sucre en Sevilla naar hun verleden. Volgens hem vormden de Kallawaya vóór de Inca's een eigen vorstendom op de oostflank van de Andes, van de bergketens van Carabaya en Apolobamba tot de warme heuvels richting het Amazonegebied. Carabaya en Callawaya zijn twee spellingen van dezelfde naam; de Spanjaarden splitsten het gebied later in een Peruaanse en een Boliviaanse helft. Een Kallawaya-hoofdman, Ari Capaquiqui, zou voor de Inca de weg naar het laagland van de 'Chunchos' hebben gevonden en mocht daarom zelf in een draagstoel reizen. Opvallend is dat geen enkele kroniekschrijver de Kallawaya als genezers noemt. Pas in 1766 beschreef de kanunnik Martín Landaeta mannen uit Charazani die met zakken harsen, wierook en geneeskrachtige kruiden het hele onderkoninkrijk doortrokken. Saignes denkt daarom dat de rondtrekkende genezers pas in de koloniale tijd zijn ontstaan, misschien zelfs pas in de achttiende en negentiende eeuw.

In 1889 stuurde het departement La Paz een lijst van de planten van de 'Callahuaya' naar de wereldtentoonstelling in Parijs. Rond 1900 reisden genezers uit Chajaya en Curva te voet, per trein en per boot tot in Argentinië, Chili, Ecuador en Peru, en volgens de overlevering behandelden sommigen bij de aanleg van het Panamakanaal arbeiders tegen malaria en gele koorts. De Franse etnograaf Louis Girault hoorde dat het om zeven mannen uit Khanlaya ging, die via Peru en Ecuador en per stoomboot langs de kust van Colombia naar Panama reisden en er een paar maanden bleven. Verhalen dat Kallawaya in Tokio, Parijs of Rome zelfs een paus genazen, noemden zijn zegslieden verzinsels, al vonden ze het niet erg dat die de ronde deden. Toen er in de loop van de twintigste eeuw meer artsen en apotheken kwamen, werden de genezers bestreden: sommigen werden gearresteerd, anderen weggezet als heksenmeesters.

In 2003 riep UNESCO de "Andeskosmovisie van de Kallawaya" uit tot meesterwerk van het immaterieel erfgoed, en in 2008 werd ze opgenomen op de representatieve lijst.

Kernideeën

De Kallawaya zien de mens als deel van een groter geheel, met Pachamama, de aarde, en de berggeesten. Gezondheid betekent evenwicht tussen mens, gemeenschap en die heilige wereld. Ziekte ontstaat wanneer dat evenwicht verstoord raakt, bijvoorbeeld als je de aarde niet voedt, een taboe schendt of in onmin leeft met je buren.

Joseph Bastien beschreef hoe in het Kallawaya-dorp Kaata de berg zelf als een lichaam wordt gezien: de hoge weiden zijn het hoofd, de aardappelvelden halverwege het hart en de buik, de maïsvelden onderaan de benen. Water stroomt van boven naar beneden en keert via onderaardse stromen terug. Zo zien de Kallawaya ook het menselijk lichaam: als een stelsel van kanalen waardoor lucht, bloed en vet stromen. In het midden, de sonco, komen ze samen en worden ze 'gedistilleerd', waarna ze naar de rest van het lichaam gaan. Wat overblijft, zoals zweet, urine, gal en slijm, moet het lichaam uit, anders wordt het schadelijk. Daarom horen zweetbaden, braakmiddelen, klysma's en plasmiddelen bij hun geneeskunde.

Planten en ziekten worden ingedeeld als warm, lauw, fris of koud, en daarnaast als giftig of als ritueel. Een koude ziekte, zoals verkoudheid of reuma, vraagt om een warm middel, en een hete, zoals koorts of een leverklacht, om een koud middel. Dat lijkt op de Griekse leer van de lichaamssappen, die met de Spanjaarden meekwam, maar volgens Bastien draait het bij de Kallawaya minder om evenwicht en meer om stroming.

Daarom horen rituelen bij de geneeskunde. Een genezer brengt offers aan Pachamama, met cocabladeren, lamavet en andere gaven, om het evenwicht te herstellen. Na een grote schrik, susto, kan iemand een deel van zijn levenskracht, de ajayu, kwijtraken; de genezer roept die terug op de plek waar het gebeurde.

De Duitse antropologe Ina Rösing, die vanaf 1983 jarenlang in de streek woonde, legt de nadruk op wederkerigheid. Wie iets vraagt van de aarde, de bergen of de offerplek bij de hut, de cabildo, moet ook iets geven. Wie dat vergeet, bouwt een offerschuld op. Dat is geen zonde, maar een tekort aan geven, en het kan ziekte en tegenslag brengen, soms zelfs vanwege iets wat een voorouder naliet. De offers bereiken de heilige plaatsen via Ankari, een wind die als bode en dienaar de rook van het offervuur meeneemt. In bijna elk gebed wordt hij aangeroepen.

Rouw zien de Kallawaya als iets wat blijft kleven aan mensen, hun hut en hun dieren, en wat nieuw ongeluk aantrekt, bijna als een besmetting. Na een sterfgeval laat een familie daarom een reiniging doen, de llaki wijch'una, letterlijk 'het wegwerpen van verdriet'. Het ongeluk wordt symbolisch weggewassen en aan een rivier of een kruising van wegen meegegeven. Rösing merkte op dat zo'n ritueel veel doet van wat westerse rouwtherapeuten aanraden: het verdriet uitspreken, samen iets doen en de nabestaanden weer een plaats geven in het dorp.

Louis Girault, die van 1956 tot 1965 met Kallawaya-genezers planten verzamelde, beschrijft hoe ze een onbekende plant indelen: ze kauwen er even op. Is ze heel bitter, dan is ze warm; is de smaak vrij neutraal, dan is ze getemperd; is ze eerder zoet, dan is ze fris. Getemperde planten werken alleen in een mengsel, als middenweg tussen warme en frisse. Daarnaast is bijna elke plant mannelijk (orkko) of vrouwelijk (china). Een mannelijke plant is stevig en ruw, een vrouwelijke fijn en sierlijk, met langere, donkerdere of meer behaarde bladeren, en geldt als krachtiger. Bij een mannelijke plant is een frisse werking mild en een warme fel; bij een vrouwelijke is het omgekeerd.

De genezer Severino Vila deelt niet alleen ziektes en planten in als warm of fris, maar ook mensen. Een warm mens is onrustig en vurig, een koud mens rustig en slaperig, en dezelfde klacht vraagt daarom bij de een een ander middel dan bij de ander. Een middel mag niet te warm en niet te fris zijn: hij mengt ze 'half om half', zodat ze elkaar verzachten.

Kennis en overdracht

Volgens UNESCO zijn de rondtrekkende genezers uitsluitend mannen. Vrouwen spelen een grote rol bij rituelen, zorgen voor zwangeren en kinderen, en weven textiel met betekenisvolle motieven. Volgens Bastien verzamelen en drogen zij ook de kruiden en kennen ze er veel van. In Kaata zijn er vrouwelijke waarzeggers, die ongeluk van iemand wegnemen en het aan de rivier meegeven.

Elk dorp heeft van oudsher een eigen vak, en de dorpen ruilen diensten en producten. Chajaya en Curva zijn de dorpen van de kruidengenezers, Kaata dat van de waarzeggers. Mannen uit Upinhuaya haalden hars uit het regenwoud en verkochten die als wierook, en bewoners van Calaya handelden in coca.

Volgens Girault komen de echte genezers uit zes dorpen rond Charazani: Curva, Chajaya, Khanlaya, Huata Huata, Inka en Chari; uit Charazani zelf en uit Amarete kwamen ze nooit. In de jaren zestig telde hij er samen zo'n 230. Al toen trokken er 'nieuwe Kallawaya' rond, uit andere streken en zelfs uit Peru, die vooral kaartlegden. De echte genezers noemden hen oplichters, die soms mensen doodden met giftige kruiden.

Kennis gaat van vader op zoon, van oom op neef of van peetvader op peetkind. Een leerling reist jaren mee met een ervaren genezer, soms tot acht jaar, en leert onderweg de planten, de klachten en de behandeling. Bastien telde bij een ervaren genezer zo'n honderd planten, mineralen en dierlijke middelen in dagelijks gebruik; beroemde genezers uit de negentiende eeuw zouden er driehonderd hebben gekend.

Girault beschrijft dat een jongen vanaf zijn achtste of tiende met meesters uit zijn eigen dorp meereisde, een paar maanden of een paar jaar, en daarna een soort examen aflegde voor de dorpsraad. Wie later genoeg wist, kon maestro of watapurichi worden en kreeg een hartvormige meteorietsteen, koillur rumi, die hij als bescherming om de hals droeg. Elk dorp had zijn eigen reisgebied, en wie de regels van de ouderen brak, kon zwaar gestraft worden. Rond 1910 vertrokken de genezers van Chajaya in maart naar Chili, in juni naar Peru en in juli naar Ecuador, Colombia en Panama, en met nieuwjaar waren ze terug; die van Curva bleven soms twee of drie jaar weg. Een genezer kende gemiddeld 300 tot 350 planten; Girault werkte met Lucas Ortiz uit Chajaya, die er meer dan 600 kon noemen. Onderweg in de auto liet Ortiz soms stoppen, liep recht op een plant af en plukte haar, terwijl hij het gesprek gewoon voortzette.

De Kallawaya hebben een eigen vaktaal, het Machaj Juyai, die alleen bij het genezen en in rituelen wordt gesproken. Taalkundigen zien er veel woorden uit het uitgestorven Puquina in, met een grammatica uit het Quechua, en ook woorden uit het Aymara en andere talen. De taal is ernstig bedreigd. Girault schreef er meer dan 4500 woorden van op en zag dat ze ook woorden heeft voor landbouw, vee en het gezinsleven, en dus meer is dan een geheim jargon.

Om te ontdekken wat iemand mankeert, werpen genezers cocabladeren of leggen ze kaarten, voelen ze de pols en bekijken ze de urine. Sommige waarzeggers wrijven een cavia over het lichaam en lezen daarna de ingewanden. Zo komen ook ruzies, schuld en geschonden taboes ter sprake.

Hoe zo'n offer verloopt, beschreef Gerardo Fernández Juárez bij Severino Vila in La Paz. Een mesa is een maaltijd voor de geesten, en elke gast krijgt wat hij lekker vindt. Voor Gloria, de hemel van de heiligen en de bliksem, maakt Severino zes of twaalf nestjes van witte katoen op wit papier, elk tegen de klok in rondgedraaid. In elk nestje komen anjerblaadjes, een suikerklontje, een 'mysterie' (een suikertablet met een afbeelding van een heilige, de maan of een kruis), lamavet, wierook, loodfiguurtjes en een snipper blad goud of zilver. Bij elk nestje roept hij een heilige aan, zoals Santiago, San Juan of de Maagd van Copacabana, en besprenkelt het met zoete wijn. Daarna houdt hij de mesa boven het hoofd van de zieke, die er drie keer op ademt, en laat hij hem rustig verbranden op houtskool. Deze mesa helpt bij schrik door de bliksem en bij bloedneuzen die daarvan komen.

De mesa voor Pachamama is uitbundiger. Op een bed van cocabladeren komen anjers, gekleurde lamawol, q'uwa (een geurig kruid van de hoogvlakte), suikerfiguren van een 'oom' en een 'tante' (de duivelse heersers van de mijnen), een pad en een slang, lamavet, wierook en kopal. Bovenop ligt een lamafoetus, ingesmeerd met vet en beladen met blad goud en zilver, als een lastdier vol rijkdom. Severino biedt hem aan alle bergen aan, van de Akamani tot de Illimani, en de mesa verbrandt met alcohol en bier in hoge vlammen. Als het ei erin knallend openbarst, is het offer goed ontvangen. De mesa voor de chullpa, de voorouders in de oude graven, is sober: coca, schapenwol, kantuta, quinoa, een ei voor Ankari en een foetus van een schaap of varken, met rauw vet in plaats van lamavet. Bij een graf in Chajaya begroef Severino die mesa tussen de botten.

Tegen pech door hekserij laat Severino een bad koken van retama en twaalf soorten doornige planten, de ch'api mesa. De zieke wast zich ermee en het badwater gaat naar een kruising van wegen. Rösing zag bij rouw iets vergelijkbaars. De genezer bindt de nabestaanden linksgesponnen draad om hals, polsen en enkels en legt nestjes van wol op hun borst, die het verdriet opzuigen. Aan de rivier breekt hij de draden, de nabestaanden wassen zich met een brouwsel van doornen en trekken schone kleren aan, en ze lopen langs een andere weg terug zonder om te kijken.

Girault liet zich ook 150 amuletten uitleggen, meestal gesneden uit witte steen, de berenguela. Elk teken heeft een vaste betekenis. Een driehoek beschermt tegen ongeluk en kwade wezens; een hand met munten in de palm trekt geld aan; een liefdespaar helpt in de liefde; een stier of lama zorgt voor een goede oogst of kudde, en geribbelde vlakken staan voor akkers. Een hand met één armband is voor getrouwden, met twee armbanden voor vrouwen. Kleine stenen 'mesa's' met een huis, vee en akkers worden met coca, lamavet en wijn bij het huis begraven voor voorspoed. Figuren uit zwarte steen dienen juist om kwaad te doen, net als de zwarte mesa's, die het kwaad terugsturen naar wie het veroorzaakte of zich tegen een vijand richten; die beschrijven we hier niet.

Teksten en figuren

De kennis is mondeling en wordt bewaard in de praktijk. Volgens UNESCO kent de Kallawaya-apotheek ongeveer 980 plantensoorten, een van de rijkste plantengeneeskundes ter wereld. Zo'n dertig daarvan kwamen uit andere werelddelen, zoals kamille, rozemarijn en eucalyptus.

Een vroege lijst is de Clasificación de las plantas medicinales usadas en la farmacopea Callahuaya, die in 1889 in La Paz werd gedrukt voor de wereldtentoonstelling van Parijs. Later legden de Boliviaan Enrique Oblitas Poblete, zelf van Kallawaya-afkomst, en de Franse onderzoeker Louis Girault, in Kallawaya, guérisseurs itinérants des Andes (1984), grote catalogi van planten en gebruiken aan.

Girault verzamelde tussen 1956 en 1965 met zijn zegslieden, onder wie Lucas Ortiz, Sebastián Álvarez en Humberto Rodas, een herbarium van 873 soorten, die de Peruaanse botanica Emma Cerrate in Lima op naam bracht; het ligt nu in het natuurhistorisch museum van Parijs. Hij overleed in 1975 in La Paz, en vrienden gaven zijn aantekeningen in 1984 uit bij het Franse onderzoeksinstituut ORSTOM, nu IRD, aangevuld met een geschiedenis door Thierry Saignes. Het boek is vrij online te lezen. Het laat zien dat de plantnamen een eigen ordening hebben, zoals bij Linnaeus: een basisnaam voor een groep, zoals chilka voor acht soorten Baccharis, en een bijvoeglijk woord voor de soort, zoals china en orkko, kita (wild) of yunka (uit het warme laagland).

Joseph Bastien beschreef in Mountain of the Condor (1978) het denken over berg en lichaam in Kaata. In Healers of the Andes (1987) volgde hij drie bekende genezers en beschreef hij 88 planten met hun gebruik; die kennis komt van de genezers zelf. Een Spaanse versie van zijn plantengegevens werd in 1983 in Bolivia onder dorpsgezondheidswerkers verspreid.

Ina Rösing beschreef vanaf 1983 meer dan tweehonderd genezingsrituelen in de Duitse reeks Mundo Ankari. Een Engelse samenvatting verscheen in 2010 als White, grey and black Kallawaya healing rituals. Ze deelt de rituelen in naar hun richting: wit is vóór iets, zoals gezondheid of een goede oogst; grijs is iets weg of terug, zoals rouw of ongeluk; zwart is tegen iemand. Gerardo Fernández Juárez tekende in Testimonio Kallawaya (1997) de woorden op van Severino Vila uit Charazani, die al dertig jaar in La Paz geneest, met zijn recepten en zijn offertafels.

In 2013 nam Bolivia een wet aan over traditionele, voorouderlijke geneeskunde. Die wet erkent en regelt het werk van traditionele genezers, waaronder de Kallawaya.

Vandaag

De Kallawaya-traditie leeft, maar staat onder druk. UNESCO noemt het verlies van de traditionele leefwijze en het gebrek aan wettelijke bescherming tegenover farmaceutische bedrijven als bedreigingen.

Sinds het midden van de twintigste eeuw zijn veel genezers naar La Paz, Cochabamba en andere steden getrokken, waar ze een praktijk hebben. Ze houden hun land in het dorp en komen terug voor de feesten en om planten te verzamelen. Familie in het dorp levert de kruiden; familie in de stad helpt met onderdak, scholing en contacten.

In 1984 werd de Boliviaanse vereniging voor traditionele geneeskunde, SOBOMETRA, opgericht, mede door Kallawaya-genezers. In dezelfde jaren organiseerden artsen en antropologen in Oruro werkplaatsen waar artsen, verpleegkundigen, vroedvrouwen en genezers van elkaar leerden. Een verpleger vertelde daar een Aymara-legende opnieuw: de condor redt de uitgedroogde berg Sajama met een drank van water, suiker, zout en zuiveringszout, het recept van de zoutsuikeroplossing tegen uitdroging bij diarree.

Al in 1974 zag Girault dat veel Kallawaya hun vak opgaven. Ze werden goudsmid of handelaar in La Paz, Lima of Córdoba, advocaat of ambtenaar, en een paar natuurgeneeskundige of apotheker. In 1928 hadden de Kallawaya van Chajaya op eigen kosten een lagere school gesticht. Saignes schreef in 1983 dat de 'Kallawaya-mythe' juist nu de laatste ingewijde genezers verdwijnen nieuwe kracht krijgt, gevoed door westerse belangstelling voor het exotische.

In 2006 richtten jonge genezers de organisatie Kallawayas sin Fronteras op, om de kennis tussen generaties door te geven en genezers te laten registreren.

Over de UNESCO-erkenning van 2003 is Rösing kritisch. Erkend werd de hele kosmovisie, maar in de praktijk werd die versmald tot de mannelijke kruidengenezer, vaak uit de stad. Vrouwelijke genezers en de gemeenschappelijke rituelen in de dorpen raakten uit beeld. Op het plein van Charazani kwam een bronzen beeld van een genezer, toeristen kwamen voor foto's, en dorpen en stadsgenezers kregen ruzie over wie de 'echte' Kallawaya zijn. Ook de antropoloog Jonathan Alderman ziet twee kanten: de erkenning versterkte het zelfbewustzijn van de Kallawaya, maar legde ook vast hoe Kallawaya-geneeskunde hoort te zijn.

In La Paz werken zo'n veertig Kallawaya-genezers van SOBOMETRA rond de Calle Sagárnaga, bij de Plaza San Francisco. De vereniging werd in 1984 bij presidentieel besluit erkend en in 1987 door het ministerie bevestigd. Ze examineert genezers, en sommige vakbonden van Aymara-yatiri in El Alto dragen haar stempel op de pasjes van hun leden. Tussen Kallawaya en yatiri bestaat rivaliteit: yatiri noemen de Kallawaya 'platudos', die alleen voor geld werken, en Kallawaya zien de yatiri als genezers van lagere rang. Volgens zorgteams in La Paz kiezen mensen praktisch: voor kruiden gaan ze naar een Kallawaya, voor een zware zaak waarin de Aymara-geesten meespelen naar een yatiri.

Natuur in de traditie

De Kallawaya gebruiken planten uit alle klimaatzones van de Andes: van de koude hoogvlakte tot de warme valleien en het regenwoud. Daarnaast gebruiken ze mineralen en dierlijke middelen. Volgens Bastien plukken ze met de hand, bedanken ze Pachamama en laten ze genoeg staan zodat de plant terug kan groeien. Gedroogde kruiden worden fijngemalen en verpakt in kleine geweven doekjes, elk met een eigen patroon, zodat ze in de tas uit elkaar te houden zijn.

Coca is heilig in de Andes en het huismiddel van elk gezin. Bilyea was volgens Bastien de meest geprezen plant, Chilca het lievelingsmiddel van de genezer Florentino Alvarez bij reuma en breuken. Muña en wakataya worden gebruikt bij buikklachten, Chinchircuma, met haar oranje kolibriebloemen, bij hoest. Mullaca 'regelt' het bloed, en khanapaco is een van de weinige planten die alle genezers 'koud' noemen.

Van de hoogvlakte komen de harsrijke tola en de uiterst langzaam groeiende kussenplant yareta; uit het warme laagland kinabast tegen malaria en quina quina. Sommige middelen zijn sterk giftig en worden alleen uitwendig gebruikt, zoals markhu, kimsa k'uchu, floripondio, wilde tabak en sabadilla tegen luizen.

Daarnaast namen de Kallawaya planten van elders op, uit Europa bijvoorbeeld wijnruit, venkel en knoflook, en uit de buurlanden boldo en yerba mate.

Severino Vila noemt matiku, kalawala en mulli warm en weegbree getemperd. Planten van de hoogvlakte gelden vaak als fris en die van de warme Yungas als warm, maar ook kleur, vorm en gebruik bepalen hoe een middel geldt. Van de hoogvlakte komt chachakuma, waarvan hij een mannetje en een vrouwtje onderscheidt.

Girault noteerde regels bij het plukken. Men plukt vanaf de oostkant, laat geen plant zomaar op de grond vallen en gooit wat na gebruik overblijft niet waar mensen lopen. Na het uitgraven van een wortel maakt men het gat dicht, 'zodat de vossen er geen hol in maken'. Kalawala, die langs rotsen klimt, plukt men bij volle of nieuwe maan; verschijnt de hagedis sutu kollu, dan wacht men tot hij weg is, want hij brengt geluk. Wie op een plukplek een collega ziet, groet en gaat weg, en ruilt later de helft van zijn oogst voor andere kruiden: onderling verkopen Kallawaya geen kruiden voor geld. Een kruid wordt maar een jaar gebruikt, daarna is de kracht eruit.

Uit Giraults lijsten komen ook wira wira, een wollig kruid tegen hoest, sutuma tegen keelpijn en bronchitis, kiswara, de boom van de hoogvlakte, en chuki kanlla, waarvan men de rook inademt bij hoofdpijn. Pinku pinku, een Andes-efedra, gaat in verbanden om breuken; turpay kauwen kinderen voor sterke tanden; kjaru geeft een bad tegen reuma, en de bonen van tarwi worden dagenlang gespoeld voor ze eetbaar zijn. Verder noemt hij wamanpinta, de hars van de keuña, pacha lloke tegen bloedingen, maca, kinchamali, taya, wantura, wallua en paardenstaart.

Respectvol omgaan

De kennis van de Kallawaya hoort bij hun gemeenschap. UNESCO waarschuwt uitdrukkelijk voor het gebrek aan bescherming tegen farmaceutische bedrijven. Volgens Bastien gaven Kallawaya-genezers tientallen planten door aan Boliviaanse farmaceutische bedrijven zonder daar iets voor terug te krijgen, en werken velen daarom niet meer met zulke bedrijven samen. Hij pleit ervoor dat een gemeenschap die een middel ontdekte, meedeelt in wat het opbrengt.

Ook voorwerpen raakten hun land kwijt. De vondsten uit het genezersgraf van Niño Korin werden in 1970 geroofd en aan het volkenkundig museum van Göteborg verkocht. Na een verzoek van Bolivië om teruggave begon in 2006 een Zweeds onderzoeksproject, waarvoor ook de Kallawaya-genezer Walter Quispe naar Göteborg kwam.

Veel middelen uit de Kallawaya-apotheek zijn giftig; op deze site staat bij die planten bewust geen bereiding. Coca is in de Andes een traditioneel en legaal middel, maar in veel andere landen, ook in Nederland, verboden. Wie de Andes bezoekt, kan cocathee drinken, maar mag de bladeren niet mee naar huis nemen. En een yareta kan duizenden jaren oud zijn: pluk of koop haar niet.

Uit de keuken

Recepten uit deze traditie

Register

Kruiden in deze traditie

  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 898

    Perubalsem

    Myroxylon balsamum (var. pereirae)

    Grote boom waarvan de hars, de balsem, naar vanille en kaneel ruikt. De balsem bevat onder meer kaneelzuur, benzylbenzoaat en vanilline, en wordt verwerkt in parfum, voedsel en zalven voor huid en wonden.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 1009

    Pinku pinku

    Ephedra americana

    Bladloze struik met groene, gelede stengels, verwant aan de Chinese ma huang. Efedra-soorten bevatten efedrine, dat de luchtwegen verwijdt maar ook hartslag en bloeddruk verhoogt; hoeveel deze soort bevat, is weinig onderzocht.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 822

    Pirul

    Schinus molle

    Boom met aromatische bladeren en roze besjes, gebruikt bij reinigingsrituelen en als volksmiddel.

    Curanderismo+2
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 1014

    Queñua

    Polylepis (o.a. P. besseri en P. tarapacana)

    Knoestige bomen en struiken uit de rozenfamilie met een roodbruine, in dunne laagjes afbladderende schors die tegen de kou beschermt. Over de werking bij mensen is niets onderzocht.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 871

    Quinchamalí

    Quinchamalium chilense

    Halfparasitisch kruid met oranjegele bloemen in hoofdjes. Traditioneel bij wonden en verkoudheid; onderzoek ontbreekt.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 915

    Ratania

    Krameria lappacea (syn. Krameria triandra)

    Laag struikje dat half op de wortels van andere planten parasiteert. De rode wortel bevat veel looistoffen en werkt daardoor samentrekkend. In Europa staat ratanhiawortel in de farmacopee en wordt hij in mondwater en tandvleesmiddelen gebruikt.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 888

    Reuzenpaardenstaart

    Equisetum giganteum

    Grote paardenstaart, rijk aan silicium. Traditioneel als plasmiddel, zoals de Europese heermoes; goed bewijs ontbreekt.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 1012

    Roq'e

    Colletia spinosissima

    Doornige struik met groene, kruisgewijs geplaatste doorns en nauwelijks blad. Leeft samen met stikstofbindende Frankia-bacteriën. De schors bevat saponinen; over de werking bij mensen is weinig onderzocht.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Europa · Kruid · № 2

    Rozemarijn

    Salvia rosmarinus (syn. Rosmarinus officinalis)

    Een aromatisch keukenkruid met carnosinezuur en rozemarijnzuur. Een paar kleine studies wijzen op een licht effect van de geur op alertheid; dat het geheugen verbetert is niet aangetoond. Het blad wordt bij spijsverteringsklachten gebruikt.

    Klooster- en volkskennis+4Volksgeloof
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 900

    Sabadilla

    Schoenocaulon officinale

    Lelieachtige plant met zeer giftige zaden, die alkaloïden als veratridine en cevadine bevatten. Apothekers maakten er wereldwijd luizenmiddelen en insecticiden van.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 819

    Tabak

    Nicotiana rustica

    Ceremoniële plant van veel inheemse volken in Amerika. Tabak is verslavend en schadelijk voor de gezondheid.

    Maya-geneeskennis+10
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 877

    Tara

    Tara spinosa (syn. Caesalpinia spinosa)

    Doornige boom met rode peulen die zeer rijk zijn aan looistoffen. In laboratoriumtests remden extracten van de peulen verschillende bacteriën.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Zuid-Amerika · Voeding · № 1011

    Tarwi

    Lupinus mutabilis

    Lupine met wit tot paarse bloemen en eiwitrijke, oliehoudende bonen. De rauwe bonen zijn bitter door lupine-alkaloïden, die er door dagenlang weken en spoelen uit worden gehaald.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 892

    Tola

    Parastrephia quadrangularis (syn. Lepidophyllum quadrangulare, P. lepidophylla)

    Harsrijke struik tot twee meter hoog met kleine, schubvormige bladeren; kenmerkend voor de droge hoogvlakte.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Midden-Amerika en Caraïben · Voeding · № 157

    Tomaat

    Solanum lycopersicum

    Groente-vrucht met vitamine C en lycopeen. Onderzoek naar lycopeen en hart- of prostaatgezondheid is vooral observationeel en niet doorslaggevend.

    Maya-geneeskennis+4Volksgeloof
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 1013

    Turpay

    Nototriche (o.a. N. mandoniana en N. porphyrantha)

    Klein, kussenvormig kaasjeskruid dat plat tegen de grond groeit, met een dikke penwortel. Kaasjeskruiden bevatten slijmstoffen die verzachten; deze soorten zelf zijn nauwelijks onderzocht.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Europa · Kruid · № 72

    Venkel

    Foeniculum vulgare

    Het zaad wordt traditioneel gebruikt bij winderigheid, een opgeblazen gevoel en krampjes. Er zijn enkele kleine studies, maar het bewijs is beperkt.

    Grieks-Romeinse geneeskunde+9Volksgeloof
  • Let op

    Europa · Voeding · № 654

    Waterkers

    Nasturtium officinale

    Traditioneel toegeschreven

    Rijk aan vitamine C, bètacaroteen en vitamine E; gebruikt om ontgifting te ondersteunen, lichaamswarmte te koelen en de longen te ondersteunen.

    Kallawaya-geneeskunst+1
  • Let op

    Europa · Kruid · № 86

    Weegbree

    Plantago major

    Het blad wordt traditioneel gekneusd op insectenbeten, kleine wondjes en schaafplekken gelegd en als thee bij hoest gebruikt. Klinisch bewijs is beperkt.

    Klooster- en volkskennis+9Volksgeloof
  • Let op

    Europa · Kruid · № 242

    Wijnruit

    Ruta graveolens

    Traditioneel toegeschreven

    Antiseptisch, stimulerend, menstruatiebevorderend, slijmoplossend, krampwerend, ontwormend (kinderen); versterkt haarvaten (rutine); bij hysterie, winderigheid en koliek, beginnende verlamming, indigestie; olie urinedrijvend en huidprikkelend.

    Grieks-Romeinse geneeskunde+6Volksgeloof
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 1005

    Wira wira

    Achyrocline satureioides (en verwante wollige composieten, o.a. Culcitium canescens)

    Wollig behaarde, bitter-aromatische plant tot een meter hoog met gele bloemhoofdjes. Bevat flavonoïden als quercetine en luteoline; in het laboratorium werkt het extract tegen sommige virussen, maar onderzoek bij mensen ontbreekt.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Zuid-Amerika · Kruid · № 893

    Yareta

    Azorella compacta (en verwante soorten)

    Groenblijvende kussenplant die als een groen rotsblok over de grond groeit. Ze groeit ongeveer anderhalve centimeter per jaar; sommige planten zijn naar schatting meer dan 3000 jaar oud. De plant bevat een kleverige hars.

    Kallawaya-geneeskunst
  • Let op

    Zuid-Amerika · Voeding · № 15

    Yerba mate

    Ilex paraguariensis

    De bladeren bevatten cafeïne, theobromine en polyfenolen; de drank werkt opwekkend en verdrijft vermoeidheid, net als koffie of thee. Het is een genotmiddel en sociale drank, geen geneesmiddel.

    Kallawaya-geneeskunst+1