Met de uitvinding van de boekdrukkunst kwamen in de vijftiende en zestiende eeuw de grote kruidenboeken. In 1485 verscheen in Mainz de Gart der Gesundheit. In 1542 publiceerde Leonhart Fuchs De historia stirpium, met prachtige houtsneden naar de natuur.
De Lage Landen speelden een grote rol. De Mechelse arts Rembert Dodoens gaf in 1554 in Antwerpen zijn Cruydeboeck uit, een van de belangrijkste kruidenboeken van zijn tijd, dat in veel talen werd vertaald. In Engeland verscheen in 1597 het Herball van John Gerard, en in 1652 The English Physitian van Nicholas Culpeper, die de kennis in het Engels toegankelijk maakte voor gewone mensen.
Vanaf de achttiende eeuw groeide de wetenschap uit de kruidenkunde. In 1785 beschreef William Withering hoe vingerhoedskruid hielp bij waterzucht door hartfalen. In de negentiende eeuw isoleerden scheikundigen werkzame stoffen uit planten, zoals morfine uit de slaapbol in 1804. In 1897 maakte Bayer aspirine, op basis van een stof die ook in wilgenbast en moerasspirea zit.