De Chinese geneeskunde ziet het lichaam als een samenhangend geheel, verbonden met de natuur en de seizoenen. Centraal staan yin en yang, twee tegengestelde maar elkaar aanvullende krachten, zoals koud en warm, rust en beweging. Gezondheid is hun evenwicht.
Qi is de levensenergie die door het lichaam stroomt, langs banen die meridianen heten. De vijf fasen, hout, vuur, aarde, metaal en water, beschrijven hoe organen, seizoenen, smaken en emoties elkaar beïnvloeden.
Een arts stelt niet alleen een ziekte vast, maar vooral een patroon: een beeld van wat er in het hele lichaam uit balans is. Daarvoor kijkt hij naar de tong, voelt hij de pols en stelt hij veel vragen. Twee mensen met dezelfde klacht kunnen zo een heel andere behandeling krijgen.